We doen het niet zo snel in Nederland, onze beroemdheden adoreren. Maar als iemand dat verdient, is het Lee Towers. Dik vier decennia in het vak, altijd even vriendelijk en niet meer weg te denken uit ons collectieve geheugen. ‘Ik ging voor het allerhoogste, het allerbeste. Dat doe ik nog steeds.’

Lee Towers vraagt of ik hem even kan helpen. Hij heeft zijn auto net geparkeerd voor het café waar we hebben afgesproken en het is maar een klein stukje lopen, dat ziet Lee ook wel, maar het lopen gaat niet zo lekker meer. Artrose in zijn rug had ‘ie. Dat moest geopereerd en toen hebben ze een zenuw beschadigd.

Die dingen gebeuren, schouderophaalt Lee, maar ja, lopen gaat nu dus erg lastig. Vandaar de vraag. Hij opent de kofferbak van zijn Audi A6 – ‘net nieuw’ – en geeft me twee maatpakken in beschermhoezen. Ja, nee, hij weet dat er een stylist is, straks, maar hij heeft al zoveel fotoshoots gehad; beter neem je voor de zekerheid nog wat eigen kleding mee.

51 keer Ahoy

Bij wijze van aardigheidje geeft hij me ook zijn laatste cd, Sweet Memories, en de dvd One Night Only, Live in Ahoy. Zo is Lee. Aardig, vriendelijk, voorkomend en bovenal fatsoenlijk. Die cocktail van fijne eigenschappen heeft hem ver gebracht. Zo stond de Rotterdamse zanger 51 keer in Ahoy, maakte hij 46 albums en zijn Lee Towers’ uitvoeringen van ‘You’ll Never Walk Alone’ en ‘I Can See Clearly Now’ niet meer weg te beitelen uit ons collectief geheugen.

De beloning hiervoor komt op 30 juni in de vorm van de Edison Oeuvre Award. De kroon op z’n werk. En hoewel Lee, die eigenlijk Leendert Huijzer heet, inmiddels 71 jaar oud is, weet hij van geen ophouden. Want lopen mag dan lastig zijn, de donkere stem doet het nog uitstekend, dankuwel. Hij heeft het ‘hartstikke’ druk, de agenda staat vol en dat vindt hij prima zo. Hij mag dan al dertig jaar in Scheveningen wonen, hij blijft een Rotterdammer in hart en nieren en die Rotterdammers, dat weten we allemaal, die zijn van het niet-lullen-maar-poetsen-principe. Werken voor je centen, joh, en niet zeuren. Zo zit Lee ook in elkaar. Aard van het beestje.

Eenmaal binnen, in café De Ebeling, op de Amsterdamse Overtoom, moeten we het eerst nog even hebben over Feyenoord. Want die zijn net landskampioen geworden en Lee is er nog helemaal vol van, maar het was natuurlijk kantje boord. Hij had het met samengeknepen billen gekeken, die wedstrijd waarin het allemaal mis ging, waarin Feyenoord dichtklapte en verloor van Excelsior. Het team waar ze natuurlijk nooit van hadden mogen verliezen. Maar uiteindelijk kwam het allemaal goed, gelukkig, zodat Lee kon zingen voor zijn club en de honderdduizenden fans.

Ben jij wel eens zo dichtgeklapt? ‘Nee. Nou ja, in 2013 lag mijn moeder op de intensive care terwijl ik drie concerten moest doen in het Nieuwe Luxor in Rotterdam. Toen dacht ik wel: wat doe ik hier? Ik kreeg niks m’n strot uit, was een soort van verlamd. Ik had het mezelf nooit vergeven als het toen fout zou zijn afgelopen.

In de pauze kreeg ik een bericht dat het allemaal onder controle was, en mijn moeder zei ook dat ik al die mensen niet teleur mocht stellen. Maar Ik heb me voorgenomen om zoiets echt nooit meer te doen. Dat was gewoon tegen mijn fatsoensnorm in.’

Dat is precies het woord dat bij jou past: fatsoen. ‘Ja, seks, drugs en rock-‘n-roll zijn niet op mij van toepassing. Ik kom uit een zwaar christelijk arbeidersgezin. Mijn vader is geboren in 1888. Jij denkt dat ik een geintje maak, maar het is zo. Mijn moeder was dertig jaar jonger en samen kregen ze zes kindertjes. We werden met normbesef opgevoed; netjes zijn, met twee woorden spreken, u zeggen tegen oudere mensen.

We waren arm, dat ook. En als je arm bent, word je niet serieus genomen, dat had ik al snel door. Ik ben heel gevoelig voor dat soort dingen. Sensitve, begrijp je wel. Dat is ook de reden dat ik iedereen altijd een hand geef. Als jij met vrienden in mijn kleedkamer komt, krijgt iedereen netjes een hand van mij. Dat schijnt heel bijzonder te zijn. En dat snap ik niet. Ik voel me tot op de dag van vandaag zo ongelooflijk bevoorrecht. Van krantenjongen tot multimiljonair, dat is echt mijn verhaal. Maar mijn normbesef ben ik nooit kwijtgeraakt.’

Lee Towers over zijn vermogen

Knap voor een jongen die vanuit het niets beroemd en rijk wordt. ‘Je moet niet vergeten dat ik al vijf jaar bij mijn vrouw Laura was en vier kinderen had toen ik doorbrak. Ik was onderhoudsmonteur op een scheepswerf, maar ik was altijd al met muziek bezig. Op een gegeven moment werkte ik mee aan een jazzalbum, waarna ik mocht komen optreden bij Willem Duys. Ik ben dol op spreekwoorden, dat weet je, hè. En ik heb er eentje voor je: je krijgt maar één kans. Laura en ik voelden dat dit die kans was. Ik was na dat optreden direct wereldberoemd in Nederland, zeg maar. En dat is nooit meer overgegaan.’

Hoe stonden je ouders tegenover jouw muzikale aspiraties? ‘Mijn moeder vond het uiteindelijk prachtig, die heeft er met volle teugen van genoten. Mijn vader vond het helemaal niks, heeft ook niet meer meegekregen wat ik ben geworden. Hij vond dat ik maar een vak moest leren, dan kon ik tenminste mijn boterhammen verdienen. Artiesten waren het uitschot van de maatschappij.

Wij waren Nederduits hervormd. Knielen Op Een Bed Violen van Jan Siebelink, De Eeuw Van Mijn Vader van Geert Mak, dat waren wij. We hadden loodzware bijbels met van die koperen hangsloten erop, nog geschreven in oud-Nederlands.

Mijn vader zat elke zondagmiddag urenlang voor te lezen uit die bijbels. Zie je het voor je? Met zes kinderen om tafel, luisteren naar materie die natuurlijk helemaal niet echt tot je doordrong. We mochten ook niet naar buiten, op zondag. Het was zwaarmoedig, ja, maar het hoorde erbij. En daar tegenover stond de saamhorigheid in ons gezin. Mijn ouders waren heel liefdevol. Ik lijk het meest op mijn vader. Het was een lieve man, een schat.’

Toch gingen je ouders uit elkaar. ‘Ja. Het leeftijdsverschil tussen mijn vader en moeder ging na verloop van tijd een rol spelen. Ze groeiden uit elkaar en dat merkten wij ook. Een heel verdrietige periode.’

Het emotioneert je nog steeds. ‘Ja, ik kan daar eigenlijk nog steeds niet goed over praten. Ik begreep het wel, van mijn ouders, maar ik was pas een jaar of twaalf en vond het verschrikkelijk. Ik was daar zó verdrietig van. Daarna bouwde ik ook een muurtje om mezelf heen. Zeker in mijn puberteit. Ik werd een nozem. Bromfiets. Vetkuif. Leren jack. Recalcitrant. Dwars.’

Lee Towers over geloof en leven na de dood

Ben je nog gelovig? ‘Ik heb er afstand van genomen, ik had er niks mee. Mijn oudste broer zit nog wel bij de kerk, hij is ook nog ouderling geweest. We zaten laatst naar een natuurfilm te kijken, hij, zijn vrouw, Laura en ik. Dat was zó mooi, zo verhelderend. We zeiden: als het ons nou op die manier was bijgebracht, dan hadden we er begrip voor gehad. Nu waren het dogma’s.

Van de vijf broers was ik de eerste die ontsnapte aan het regime. Ik ging naar de bioscoop met een vriendje. Eerst dorste ik niet naar binnen. Een groot zwart gat waar ik in moest… zo zag ik het. Dat was de duivel. Ik heb er een half uur over gedaan, maar uiteindelijk waren we binnen en wilde ik nooit meer weg; zo mooi.’

En leven na de dood, geloof je daar wel in? ‘Ik geloof in een almachtige. Ik ben een geschiedenis- en wetenschapsfreak en ik bestudeer het sterrenstelsel. Als jij weet dat er korrels zand te weinig op de wereld zijn om het aantal sterren weer te geven in het heelal…. Miljarden en miljarden sterrenstelsels. Heb je je eigen daar wel eens in verdiept? Daar word je zó klein van, daar raak je toch wel ernstig van onder de indruk? Zwarte gaten van drie centimeter waar drie keer de hele wereld in kan, dat kun je toch niet bevatten. Dus ga mij niet vertellen dat er niet iets is, iets wat daar aan ten grondslag ligt. Er moet iets zijn.’

Dus je bent niet bang voor de dood? ‘Nou ja, ik lieg als ik zeg dat ik dat niet ben, maar je kunt tegenwoordig een spuit krijgen en dan ben je weg. Je hoeft niet meer bang te zijn voor een lijdensweg van twee jaar.’

Hoe verklaar je dat je nooit bent ontspoord? ‘Ik ben een vakidioot, ontzettend fanatiek ook. Je moest bij mij niet met een rotsmoes aankomen en afzeggen als we gingen repeteren. Ik heb dit vak altijd heel serieus genomen. Het werd bijna een roeping.’

Is dat ook de reden dat je al decennialang aan de top van de Nederlandse muziekwereld opereert? ‘We gingen naar Amerika, naar Las Vegas, om vakkennis op te doen. Kijken kijken kijken. M’n ogen stonden op steeltjes; dáár gebeurde het. Ik kwam er al snel achter dat als je iets in deze business wilt betekenen, je iets moet doen wat een ander nog niet gedaan heeft. Dus ik ben direct gaan pionieren. Zelf concerten organiseren.

Eerst in de Rotterdamse Doelen, later in Carré, Amsterdam, en uiteindelijk in Ahoy’. Dat kon eigenlijk niet. Mensen zeiden: hij denkt zeker dat ‘ie in Amerika is! Ik vond dat belachelijk. Hoezo zou dat niet in Nederland kunnen? Ik geloofde erin en ben het gewoon op eigen kracht gaan doen. En ik stak mijn nek uit, en heb altijd alles zelf gefinancierd, wist je dat? Ik benaderde zelf eventuele sponsors, gewoon in m’n uppie. Voor dat crowdfunding was uitgevonden deed ik er al aan. Ik ging voor het allerhoogste, het allerbeste. Dat doe ik nog steeds.’

Ben je daardoor een moeilijke man om mee te werken? ‘Ja, ja, ik kon ruzie met je krijgen. Als je lag te kloten, dan vertelde ik je dat. Als er duizend lampen aan het plafond hingen en er was eentje stuk, dan zag ik dat. Ik ben een adrenalineman. Als de adrenaline door mijn lichaam stroomt, ontgaat niks me meer. Dan ben ik zo scherp, zo gefocust.’

Is dat met het verstrijken van de jaren minder geworden? ‘Nee joh, schei uit. Ik heb nog een aantal albums op de plank liggen en ik ben mijn hele oeuvre aan het digitaliseren. Alles. Nu ben ik alles op een rijtje aan het zetten. Ik ben 71, ik moet reflecteren; wat heb ik gedaan? Ik heb alles bewaard, zelfs mijn eerste radio-optreden bij Willem Duys. Geweldig. Ik ben dus nog elke dag met muziek bezig. Ik slaap er zelfs mee. Als ik in bed lig, heb ik een koptelefoon op. Val ik vanzelf in slaap.’

Je stem is ook niet echt achteruit gegaan. ‘Nee, maar ik ben dan ook een man van de discipline. Ik zit drie keer per week in de sportschool, ik ben heel sterk. En ik heb die rugoperatie gehad, dus ik loop vervelend, maar als ik zing, valt dat weg. En nu hoef ik niet meer al die danspasjes in te studeren, haha. Heb ik nooit gedaan trouwens.’

Heb je daarom ook de bekende armbeweging ontwikkeld? Als in: lekker makkelijk? ‘Nee hoor. Dat is heel simpel: als je New York zingt, dan gaat dat van pa-pa-PA-da-da, pa-pa-PA-da-da. Dan gaat die arm vanzelf, als een soort accent in de muziek. Het is gewoon ontstaan en het is iemand opgevallen. Net als die gouden microfoon; dat heb ik ook niet bedacht. Die heb ik gekregen in 1984, toen ik voor het eerst Ahoy’ ging doen.

Ik koos destijds voor Ampco-geluid en Flashlight-licht, het beste in Nederland. Dat vonden ze daar zo fantastisch dat ik van die jongens een gouden microfoon kreeg. Net als het briljanten speldje dat ik altijd draag. Ooit gekregen van een juwelier die ik uit de brand had geholpen. Ik had er eigenlijk niks mee, maar prima, ik droeg het en dat werd ineens een hele rage. Begrijp je?’

En je haar? En je brillen? Ook toeval? ‘Dat haar was een experiment van mijn kapper, in 1986. Het zat daarvoor altijd in een scheiding. Hij knipt mijn haar nog steeds, trouwens. En die bril met die gekleurde glazen, ja, dat is gewoon prettig, vanwege het licht. Maar als ik hem afzet, ben ik direct Lee Towers niet meer. Kijk maar.’

Je draagt altijd pakken, ook. ‘Ja, netjes. Sinatra zag je ook nooit zonder pak, toch? Daar komt bij: ik ben eigenlijk altijd in functie. Ik ben ambassadeur van het Sophia Kinderziekenhuis, voor de Rotterdamse haven, voor Feyenoord, je kunt het zo gek niet bedenken. Dus dan moet je representatief zijn. Ik zorg dat ik er netjes uitzie. Vermoeiend? Nee, juist niet. Als ik zonder stropdas de deur uit ga, dan voel ik me vaak niet prettig.’

Was vroeger alles beter? ‘Ik zie natuurlijk een heleboel veranderingen. Vroeger had iedere omroep zijn eigen muziekprogramma, waarin jonge artiesten live hun ding konden doen. Dat bestaat niet meer en dat vind ik erg. Het circuit waar ik deel van uit maakte, is weg. Te duur. Tegenwoordig is dj het toverwoord. Want dat kost niks. Die heeft een stickie in z’’n zak, die doet ’ie in een apparaat en klaar. Mijn zoon is dj, daarom weet ik dat.’

Geld is niet alles

Mis je de oude tijd? ‘Nee joh, ik heb het nog steeds hartstikke druk. Mijn agenda zit vol. Niet alleen met betaalde optredens, maar ook met maatschappelijk dingen. En daarnaast heb ik vier kinderen, elf kleinkinderen en twee achterkleinkinderen. Dan ben je toch rijk? Ik ben een bevoorrecht mens. Maar luister: ik ben niet verwend. Mijn kinderen ook niet, zo hebben we ze niet opgevoed. Ze mochten niet rijden in de Mercedes van papa, ze kregen met hun zestiende niet automatische een bromfiets, dat soort dingen.

Terwijl dat financieel gezien prima kon. ‘Ja, makkelijk, maar er zit ook nog een ander verhaal achter. Ik werkte vroeger bij een bakker om centjes bij te verdienen. Die hadden een dochter en toen ze zestien was, kreeg ze een brommer. Ze stapte op, zo de Benedenrijweg op, maar ze had nog nooit gereden. Werd gelijk morsdood gereden door een grote bus. Nou… die mensen zijn allebei in een inrichting gekomen. Ze konden dat niet verwerken. Zo verschrikkelijk.

Ik was zelf natuurlijk een enfant terrible op zo’n ding, maar ik was daarna altijd panisch. Ik bedacht alle smoezen om maar niet zo’’n bromfiets aan de kinderen te hoeven geven. Dus ik was niet populair in die tijd. Later heb ik het ze uitgelegd en toen snapten ze het wel.’

Waar geef je graag je geld aan uit? ‘Dat doen wij niet. Dat klinkt heel saai, maar zo is het. We gaan twee maanden per jaar naar Curaçao, daar hebben we een huis. Overwinteren, ik haat kou, ik houd van de zee en de zon. Daarom wonen we ook al dertig jaar op Scheveningen, aan het strand.’

Sprak de ambassadeur van Feyenoord ‘Ja, maar alle ambassadeurs wonen in het buitenland, toch, haha. Vanaf ons huis tot aan het centrum van Rotterdam is dertig kilometer, dus waar hebben we het over. Ik kijk zo op de Maasvlakte. Dat weidse uitzicht op zee en we hebben een heerlijk huis, een dubbel penthouse op de boulevard van Scheveningen. Als je daar niet tevreden mee kunt zijn…. Maar het is niet uitgesloten dat we nog een keer terug gaan naar de basis.’

Over die basis gesproken: wordt het niet weer eens tijd voor een concert in Ahoy’? ‘Jongen, ik zou het liefst elke dag in Ahoy’ staan. Je lacht erom, maar dat is zo. Ik vond het elke keer weer jammer dat het voorbij was. Dus ik sluit niks uit.’

Dit interview is afkomstig uit JFK65 (2017)

Reacties

Meer

Meer van JFK