Hij noemt zichzelf een keiharde moderne impressionist. De Renoir van Amsterdam. En of je het daar nu mee eens bent of niet, Selwyn Senatori heeft zeer zeker een eigen stijl neergezet. Maar wie ís hij eigenlijk? 24 uur op pad met de best verkopende kunstenaar van Nederland. ‘Ik heb geen zin in die discussie over wat kunst is en wat niet. Fok dat.’

Tekst: Marcel Langedijk, fotografie: Marc Deurloo

8:00
Daar zit ‘ie, Selwyn Senatori, de kleine grote kunstenaar. Hij is rustig, relaxt, net uit bed, heeft een bril op, leest wat in de Volkskrant, drinkt koffie en eet twee crackers met kipfilet en avocado. Naast hem: zijn muze, zijn meisje, de vrouw met de meest getekende billen, borsten en benen van Nederland. Irene heet ze, een ravissante schoonheid van 25 jaar oud. Ze is een kop groter dan Selwyn en ze is criminoloog.

We zijn bij het stel thuis, in hun onlangs aangekochte woning aan het water. De locatie mag niet vermeld worden. Je weet het maar nooit, nietwaar, ‘met al die gekken’. Het duo is inmiddels drie jaar bij elkaar en herejezus op een hobbelpaard, wat houdt hij van die vrouw, vertelt Selwyn. Iedereen mag dat weten, want hij is fucking romantisch, immers. Dat spat ervan af, niet alleen op Selwyns doeken, niet alleen op z’n Instagram-account, ook hier, thuis.

Heel anders dan vroeger, de tijd dat hij nog getrouwd was. Praat ‘ie liever niet over. “Het is allemaal zo cliché, maar dat was klaar. Ik heb een behoorlijke tijd van mijn leven met mijn ex doorgebracht, ze heeft me twee prachtige kinderen geschonken, maar het hield op, het was eindig. Lidewij Edelkoort noemt relaties een soort telefooncontracten; ze duren een paar jaar en dan kijk je weer eens verder.”

Liever praat hij over Irene. “Ik kwam haar tegen en dat was liefde op het eerste gezicht. Ik heb er zelfs boeken over gekocht, want ik vertrouwde die shit niet. Bestond dit wel? Leuke bijkomstigheid is dat ze er heel goed uit ziet.”
Het leeftijdsverschil – de artiest zelf is 43 – en noemt hij ‘ook weer zo’n midlifecrisiscliché’, maar Irene is een stuk slimmer dan hij, zegt Selwyn, en veel volwassener dan haar leeftijd doet vermoeden. “Daardoor zitten we op dezelfde golflengte. Ik kan alles met haar delen. Dat heb ik in mijn leven nog niet gehad.” Geldt ook voor Irene, die net als Selwyn knabbelt op een cracker met kipfilet, maar dan met sambal, ‘want Irene is heet’, aldus Selwyn. Ze lachen en Irene vertelt: “Op het moment dat we bij elkaar in de auto stapten, was het raak. Een gevoel… alsof er niemand anders meer was. Heel romantisch en heel cliché en waarschijnlijk moeten mensen nu kotsen, maar het was echt zo.”

Dat was drie jaar geleden, de periode dat Selwyn nog de rockgod uithing. Hij zegt dat jij hem rustiger hebt gemaakt, Irene. Is dat zo?
“Ik vond hem in het begin wel een beetje te wild. Behalve als hij de kinderen had, maar dan zat hij brak op de bank. Een beetje too much, het mocht van mij wel wat gedoseerder. Om een relatie met zo iemand te hebben… daar ben ik veel te braaf, te verantwoordelijk en te Limburgs voor. Ik denk dat we elkaar uiteindelijk een beetje tegemoet zijn gekomen: ik werd iets wilder, Selwyn wat rustiger. Daardoor is het nu helemaal goed.”

Evenzogoed zijn jouw billen, benen en borsten de meest geportretteerde van het land, zowel op Selwyns schilderijen als op de foto’s die hij op Instagram post. Lastig?
“In het begin was dat wennen, zeker de foto’s, maar inmiddels verwacht iedereen het een beetje en vind ik het oké. Het hoort bij zijn kunst en ik vind het een eer. Ik zou me eerder zorgen maken als hij het niet meer zou doen, haha.”

Zagen jouw brave Limburgse ouders het zitten, een relatie met een bijna twintig jaar oudere hippe kunstenaar met twee kinderen?
“Mijn vader boeide het nul komma nul; die vindt de hele wereld leuk en aardig. Mijn moeder moest even wennen. Rond de tijd dat ik net iets met Selwyn had en het nog niet verteld had, zei mijn moeder tijdens een lunch dat ze vreselijk had gedroomd. Ik had een relatie met een heel lange man van in de veertig met twee kinderen.

Ik heb het toen maar verteld door te zeggen dat hij in ieder geval niet heel lang was, haha. Ze vond het wel even lastig, was bezorgd, met name vanwege de kinderen; als het mis zou gaan, zou hun hart gebroken worden. Maar toen ze Selwyn leerde kennen, is ze langzamerhand ontdooid en nu zou ze geen andere schoonzoon meer willen.”

Selwyn-Senatori-JFK-Magazine

“Ik heb er zelfs boeken over gekocht, want ik vertrouwde die shit niet”

10:00
Selwyn Senatori’s atelier aan de Bloemenmarkt is gigantisch. Overal potten en tubes verf, overal spetters, overal doeken, sommige af, de meeste nog work in progress. Roxy Music blèrt uit de speakers. Hij is hier vaak rond een uur of tien om twee uur lang ‘te knallen’. De verfklodders zitten in zijn haar, op z’n handen, in zijn kleding. Z’n haar is verwilderd, zijn gezicht wat bleek, maar hij is zo vitaal als een puber op Red Bull. Hij heeft een grote bek, maar een klein hart, deze misschien wel beroemdste en best verkopende kunstenaar van het land.

Genoeg geschilderd vandaag. Hij zegt: “Kom op jongen, we gaan shoppen.” Jongen is jongon, shoppen is shoppon, een baggervet Amsterdamse accent. “Winkelen betekent niet dat ik iets duurs moet kopen,” legt Selwyn uit, “maar ik ben wel shopaholic. Een comfort shopper. Ik moet elke dag iets kopen; ik voel me goed als ik gewinkeld heb.”

Eerste stop, evenzogoed: Oger, de luxe herenmodezaak van de beroemde familie Lusink in de P.C. Hooftstraat. Het doel: een maatpak. Mitchel, de verkoper, luistert naar de wensen van Selwyn en meet en knikt en, vooruit, laten we nog een cappuccinootje doen. “Oger heeft die klassieke degelijkheid,” vertelt Selwyn tijdens het meten, “ze houden oude waarden in ere, waarden die op veel plekken verloren zijn gegaan. Hier hangt nog de sfeer van de vorige eeuw, van de industriële revolutie, maar ook van de jaren tachtig, van Wall Street en Gordon Gekko. En van oud hout, klassieke bretels, goede koffie en van potpourri die hier voor me staat en waarvan ik dacht dat het chipjes waren.”

Hij lacht. Een jochie van 43. Het pak wordt er eentje met blauw- en grijstinten. “Een feest voor het oog, vind je niet? Net als dit pochet van Tom Ford. Wat een gigantisch ding, man. Formaatje tafellaken. Pompeus. Stoer. Woest.” Tweede stop: een bootwinkel. Vanwege twee lontjes. “Voor in m’n olielamp, thuis. Fantastisch man, hier ben ik zó blij mee.” Iets verderop gaan we de HEMA in. Hier haalt hij wattenstaafjes voor z’n oren. Ja, echt. “Ben ik ook verslaafd aan. Twee keer per dag steek ik die dingen in m’n oor.”

Tot zover het shoppen. Het zijn dus niet alleen Grenson-loafers en Louis Vuitton-weekendtassen die er gekocht worden, al zou je zomaar dat beeld kunnen krijgen. Senatori’s kunst is namelijk een weerspiegeling van zijn leven. Zijn schilderijen, schetsen en zeefdrukken lezen als een autobiografie. En wie dat werk kent, weet dat er een uitvoerig geïllustreerde periode was waarin de champagne, het nachtleven en de dure merken de boventoon voerden.

Strippers, seks, New York, drank, oesters, kaviaar, nachtclubs, op de foto met Paris Hilton, hangen met Pharrell. “Dat was een tijdje mijn leven, ja,” vertelt de kunstenaar. “Ik was die drank verslindende sekswellusteling die zichzelf continu verloor op feestjes en wakker werd op plekken die hij niet kende. Dat rock-’n-roll-leven lijkt standaard bij kunstenaars te horen. Mensen willen dat ook graag zien. En dus ga je daar naar leven.” Toch was dat niet het idee, vroeger, zo’’n leven.

Selwyn Senatori werd geboren in Italië, uit een Italiaanse vader en Amsterdamse moeder. Ze verhuisden naar Amsterdam, maar dat was ze te druk, dus werd Hoorn de plek waar Selwyn het grootste deel van zijn jeugd woonde. “Hoorn was geweldig. Dorpje achter de dijk. Een smurfendorp, dat was het. Met een grote smurf, een rijke smurf en met mij, de kunstsmurf. Ik wilde niks worden, in die tijd, niks zijn. Ik hield van tekenen en ik vond het prima zo, ik vond het prettig om met mezelf te hangen.

Niet dat ik een zielige loner was, ik had ontzettend veel vrienden en kennissen om me heen, maar ik hield er als middelbare scholier van om op mezelf te zijn. Lekker met m’n fiets naar een afgelegen heuveltje bij een sportveld rijden om daar met een pak peuken en een bakje koffie te gaan zitten nadenken over het leven. Sterren kijken. Net als in de film. Die zag ik veel, want mijn oom had een bioscoop. In het weekend keek ik zo zes, zeven films. Ik identificeerde me heel erg met films uit de jaren tachtig en negentig. Johnny Depp, weet je wel, Mickey Rourke. Ik was een fucking keiharde romanticus. Maar ik dacht nooit: dít ga ik worden, dít ga ik doen.”

Selwyn-Senatori-JFK-Magazine

“Ik ben wel shopaholic. Een comfort shopper. Ik moet elke dag iets kopen”

14:00
Het gesprek komt op z’n middelbare schooltijd. Niet z’n ding. Selwyn stapte over naar het kunstzinnig onderwijs. Niet in Hoorn, maar in Amsterdam. “Heel veel blowen en tongen. Het leven ontdekken. Fantastisch. Ook op die school deed ik weinig, maar docenten zeiden wel: ‘Jij moet iets gaan doen met dat tekenen en schilderen van je. Ga naar de kunstacademie.’ Alleen moest ik dan wel de Havo afmaken. Die deed ik, weer in Hoorn, en uiteindelijk ben ik naar de academie gegaan. Die heb ik afgemaakt ook.”

Dat ging niet van een leien dakje. “Ik was recalcitrant, deed wat ik zelf wilde en vond mezelf wel goed genoeg. Dat was ik niet, hoor, ik was geen Van Gogh of Frans Hals. Ik was vooral met mezelf bezig, vond het niet zo interessant allemaal. De kunstacademie is vooral goed om even los te komen van wat je doet; afbreken tot het nulpunt en weer opnieuw beginnen.” Dan, fel: “Maar ja, er was zo’n docent met van die cowboylaarzen, zo’n reclamejongen, die dacht dat ‘ie het helemaal was. Dan ben ik dus klaar. Doei, flikker maar op. Wie denk jij dan dat je bent, met je kale harses. Je hebt het niet gemaakt, je staat hier één uur in de week les te geven op van die achterlijke cowboylaarzen die niemand ooit zou kopen. Dat trok ik niet.”

Rustiger: “Aan de andere kant was ik heel onzeker. Ik kreeg in die tijd twee keer een hersenvliesontsteking. Heel ziek geweest, in het ziekenhuis gelegen. Ik werd kwetsbaar, onzeker, zeker als ik voor groepen moest spreken. Het leerde me wel om echt te zijn, dingen te doen die bij mezelf lagen. Anders snijdt het geen hout en heeft het geen waarde. Zo denk ik ook over mijn schilderijen: die hebben allemaal waarde omdat het echt is gebeurd, omdat ík die dingen heb meegemaakt. Iemand die schildert over parachutespringen terwijl ‘ie dat nog nooit heeft gedaan? Dat schilderij koop je toch niet.”

Hij zal een punt hebben, want sinds Herman Brood is er in Nederland geen kunstenaar geweest die zoveel verkoopt als Selwyn. Zegt ook de Amsterdamse kunsthandelaar Olivier Varossieau: “Hij is commercieel gezien een van de beste van Nederland. Al ziet hij dat zelf nog niet altijd in.” Klopt, zegt Selwyn, en misschien heeft dat te maken met het feit dat hij niet in de ‘grote’ musea hangt. Dat steekt, soms. “Misschien is dat wel mijn einddoel. Het lijkt mij hartstikke leuk, laat ze maar bellen. Ik heb alleen geen zin in die discussie over wat kunst is en wat niet. Fok dat. Ik snap het ook niet. Misschien komt het omdat ik te commercieel ben. Of omdat mijn werk niet zo gestileerd is als dat van Damien Hirst. Ik ben een simpele boerenschilder, maar wel weer wat doorwerkter dan Herman Brood.”

Het B-woord is gevallen. Brood, de man met wie hij vaak vergeleken wordt. Er was een periode dat je dat beter niet in zijn gezicht kon zeggen, maar Selwyn ziet het inmiddels wat genuanceerder: “Ik vind het een eer als mensen vinden dat mijn werk op dat van Herman Brood lijkt. Het heeft ook overeenkomsten. Het is rauw, kleurrijk, direct uit de pot. Ik vond het een topper, Herman. Niet eens zozeer om al het gedoe eromheen, maar om zijn kunst. Om zijn kennis van de gulden snede. Dat is niet een mooie vagina, maar dat is wanneer je ziet dat iets compositorisch perfect is. Dat hebben niet veel mensen. Herman had dat. En hoe arrogant het ook klinkt, ik denk dat ik dat ook heb. Een schilderij kijkt lekker weg of niet. Mijn schilderijen kijken lekker weg.”

Het heeft er evenzogoed nog niet toe geleid dat de mensen van het Stedelijk Museum opbelden. Volgens Varossieau heeft dat niet alleen met de commerciële kant van Selwyn te maken. “Het gaat ook om smaak. En de mensen die de boel daar runnen, gaan Selwyn niet accepteren. Het enige wat zou kunnen helpen, is heel spectaculair doodgaan.” Dat ziet de kunstenaar, desgevraagd, nog even niet zitten. “Dood is nooit goed. Dood is geen productie, geen productie is geen geld, geen geld is geen Porsche.”

20:00
Zo’n twee, drie keer in de week sluiten Selwyn en Irene de dag af bij een van de zaken van Ron Blaauw. Sterrenchef te Amsterdam, vriend van Selwyn. In meerdere zaken, waaronder Ron Gastrobar en hotdogtent The Fat Dog, hangt Selwyns kunst. Ron: “Ik vond het spannend wat hij deed. Hij dacht out of the box. In alle sterrenzaken moest het vooral rustgevend zijn, saaie schilderijen. Daar had ik geen zin in. Zo kwam ik bij Selwyn. En toen bleek hij ook nog een fantastische kerel te zijn. Ik heb altijd lol met hem, maar we kunnen ook een uur naast elkaar zitten zonder iets te zeggen. We zijn onszelf bij elkaar. En hij staat altijd voor me klaar als ik hem nodig heb, en andersom. Als ik een schilderijtje wil voor personeel dat weggaat, komt hij het diezelfde avond nog brengen. Net zoals hij in mijn zaken mag weglopen zonder te betalen. Dat hoeft van hem niet en ik doe dat bij niemand anders, maar dat voelt gewoon goed.”

Dat was misschien lastiger in Selwyns wilde periode, na zijn scheiding?
“Ja. Maar dat kon ik dan wel tegen hem zeggen. Dan kwam ‘ie weer binnen met veel lawaai en gedoe en dacht ik: alsjeblieft jongen, doe even niet zo idioot. Dan vertelde ik hem dat ‘ie echt even moest dimmen, dat ‘ie niet het imago van Herman Brood moest nastreven. Dat ‘ie er niks aan had om zichzelf naar de klote te helpen. Maar het is goed, nu, met Irene. Dat is echt een schat. Mijn dochter is ook helemaal gek op haar, mijn vrouw ook.”

Genoeg liefde voor vandaag. Er moet gegeten worden en dat kan bij Ron Blaauw. Het gesprek komt toch nog even op dat ene heikele punt: de musea. Selwyn: “Weet je, ik zou mijn werk kunnen aanpassen, ervoor zorgen dat ze het wel gaan ophangen. Maar dat ga ik zéker niet doen. Dan verloochen ik mezelf en dan is de flow uit m’n werk. Ik probeer niet de grote sociale vraagstukken op te lossen, ik ben niet geëngageerd. Dude, ik lees de Volkskrant, maar het raakt me allemaal niet zo heel erg.

Ik schilder graag fijne dingen. Momentopnames van de mooie dingen in het leven. Een beetje impressionistisch. Een keiharde moderne impressionist, dat ben ik. De Renoir van Amsterdam. Wat je ook van me vindt, ik heb toch zeer zeker een eigen stijl neergezet. Dat durf ik wel te zeggen. Als je mij googelt, zie je heel veel mensen die mij nadoen. Ik heb een mini-substroming in gang gezet. Hoe zullen we dat noemen… Het Senatorisme, ja, dat klinkt vet.”

Selwyn-Senatori-JFK-Magazine

“Dood is nooit goed. Dood is geen productie, geen productie is geen geld, geen geld is geen Porsche”

Reacties

Meer